Over ons
De storm gierde over de heuvels van het Heilige Rijk, zoals alleen stormen dat kunnen in verhalen die beginnen met een storm. Donkere wolken propten zich samen boven het landschap, even overweldigend als de hoeveelheid plotse ijver van studenten voor een deadline; de regen viel met de volle overtuiging van een ouderwetse schooldirecteur die zijn oubollige regels nog eens extra wil benadrukken en daarvoor veel later pas zou ontslagen worden.
Door dit theatrale onweer galoppeerde Inge dus, volledig in wapenuitrusting, op haar paard. Het vizier, enigszins gedeukt, sloeg open en dicht in de wind. Het harnas piepte bij elke stap van het beest, en of dat nu het paard was of haar knieën was zelfs voor haar niet meer duidelijk.
Toen verloor het paard zijn geduld.
Of zijn grip op de modderlijke weg.
Of allebei.
Inge vloog door de lucht op de manier die ridders in verhalen altijd elegant doen, maar in Inge’s werkelijkheid meer weg had van een vaatwasmachine die oeps! van een vrachtwagen rolt. Ze raakte de heuvel, stuiterde, raakte hem nog eens, nu minder opzettelijk, en nog eens, nog minder opzettelijk, en eindigde haar reis met een doffe bonk tegen iets zachts-maar-toch-solide, terwijl haar harnas nog na-rammelde en haar vizier haar neus platdrukte.
Ze bleef even liggen. De storm gierde gierend voort. De regen regende.
“Au,” zei ze, met het gezag van iemand die de situatie volledig in de hand heeft.
Het zachte-maar-solide-iets dat ze geraakt had, bewoog.
“WAT IN DE NAAM VAN—”
Erwin klauterde overeind vanuit het gras waar hij had liggen rusten, zijn superman-cape doorweekt, zijn ogen wijd in een mengeling van pijn, schrik, en de specifieke verontwaardiging van iemand die eindelijk een momentje had voor zichzelf. Hij had zijn schaap verloren ergens tussen de derde en vierde heuvel, zijn rug deed al de hele dag pijn, en nu lag er ook nog eens een ridder op hem.
“Wie DURFT—” begon Inge, die probeerde recht te komen en ontdekte dat haar linkerknie andere plannen had.
“Ik lag hier GEWOON—” riep Erwin, die ook probeerde recht te komen en constateerde dat zijn rechterknie solidair was met Inge’s linkerknie.
Ze stonden allebei een beetje krom, wat hun dreigende gebaren een ongewild komisch karakter gaf; niet dat één van beiden dat ooit zou toegeven.
“Ik zal u—” zei Inge, en ze hief haar zwaard, dat meteen te zwaar bleek.
“Ge gaat NIKS—” zei Erwin, en hij hief zijn staf, die minder indrukwekkend was dan hij gehoopt had.
Ze keken elkaar aan. De regen regende verder. Een bliksemschicht verlichtte hun gezichten.
Stilte.
“Wacht,” zei Inge.
“Ik ken u,” zei Erwin.
Ze staarden.
“Maar vanwaar,” zei Inge.
“Ge lijkt op iemand,” zei Erwin.
“Gij ook,” zei Inge.
Ze peinsden. De storm peinsde mee, wat hij deed door nog wat harder te gieren.
Juist op dat moment — want epische verhalen houden van juist op dat moment — hoorden ze een geluid. Een vreemd, rollend, metallisch geluid (is dat een woord? Als dat niet zo was, het is dat dan toch van nu af aan), als een drumstel dat een ongelukkige beslissing had genomen.
Uit de mist dook Stef op.
Hij zat op een constructie die het midden hield tussen een fiets en een existentiële crisis. Twee drumtrommels, op een of andere manier aan elkaar bevestigd via wat eruitzag als improvisatie en optimisme, rolden langzaam de helling af. Er waren geen pedalen. Er hoefden geen pedalen te zijn, want de helling deed het werk. Stef zat er kaarsrecht op, met de waardigheid van iemand die absoluut weet wat hij doet en u dat ook laat voelen.
“HAAAAAI!” riep hij, of iets wat daar op leek.
Inge en Erwin keken hem aan.
“WAT?” riepen ze terug.
Stef riep iets terug. Het klonk als woorden, maar dan door een zeef gehaald, lichtjes geroteerd, en opnieuw samengesteld door iemand die het principe van taal bewondert maar er zijn eigen ding mee doet. De klinkers zaten op plaatsen waar geen klinkers hoorden. De medeklinkers hadden vergaderingen zonder hem.
“…pensioenfeestje?” filterde Erwin er uiteindelijk uit.
En toen — zoals een frank valt (want er waren nog geen euro’s, dat was later, dat was een ander verhaal) — vielen de franken.
Pensioenfeestje.
“WACHT,” zei Inge. “WACHT EFKES.”
“Sint-Lucas,” zei Erwin langzaam.
“Sint-Lucas!” zei Inge.
“SINT-LUCAS!” riep Stef, die zijn drumfiets tot stilstand had gebracht door er gewoon af te stappen terwijl hij nog reed, wat verrassend goed ging.
En daar stonden ze met z’n drieën in de storm, krom van knieën maar groot van hart, terwijl de herinneringen binnenstroomden als de regen, maar dan aangenamer.
Het heilige leger! De heilige missie! De kruistochtjaren bij Sint-Lucas, toen ze jong waren en de wereld nog niet zo moeilijk deed over traplopen. Ze praatten door elkaar, vulden elkaars zinnen aan en onderbraken ze meteen daarna, en Stef riep af en toe iets enthousiasts in zijn eigen idioom dat de anderen toch wel ongeveer begrepen, of deden alsof.
“We moeten een foto maken,” zei Stef uiteindelijk, en hij klopte op zijn zakken. Zijn gezicht betrok. Zijn zakken klopten terug: leeg.
“Ik heb mijn fototoestel ook niet mee,” zei Erwin.
Ze keken naar Inge.
“Als ík het moet tekenen,” zei Inge met de vlakke stem van iemand die de situatie realistisch inschat, “staan we hier nog tot volgend jaar.”
Er groeide een moment van collectieve stilte en berusting.
Tot er achter hen alweer iets rommelde, gevolgd door een geluid als van iemand die “o nee nee nee nee” zegt maar al weet dat het te laat is.
Een plof, een rol, nog een rol, geklater, en toen een explosie van kleur — rood, okergeel, ultramarijn, hoogstwaarschijnlijk ook wat ongebleekt titaniumwit (tip: zinkwit werkt beter) — die over de drie vrienden spatte als een schilderij dat zichzelf had besloten te installeren in een opwelling van modernisterij.
Uit de brij van verf en verontwaardiging verrees Lief.
Ze was minder geschilderd dan beschilderd. Ze had een penseel in haar hand, en wees ermee naar hen met de uitdrukking van iemand die daar een punt mee wilde maken.
“Er stond een paard,” zei ze. “Bovenaan. Prachtig licht. Ik wou het schilderen. En dan geeft dat beest mij ineens een duw—”
Ze keek naar Inge.
Inge keek naar de heuvel. Boven stond haar paard. Het paard keek neer op het tafereel met de uitdrukking van een paard dat echt waar nergens iets mee te maken heeft.
Lief veegde een streep cadmiumrood van haar voorhoofd. Erwin had nu een abstracte compositie op zijn cape. Stef had er eigenlijk baat bij, eerlijk gezegd.
“Awel,” zei Inge.
“Awel,” zeiden de anderen.
Ze maakten zo veel lawaai samen — want vier mensen die elkaar jaren niet gezien hebben en ondertussen geverfd zijn (niet alleen door die verf, maar ook door de wol) en krom van knieën maar groot van hart, maken veel lawaai — enfin, zo veel lawaai dus dat ze het amper hoorden toen er iemand naar hen begon te roepen. Vanwege het lawaai van de storm, uiteraard, niet omdat ze al een beetje doof werden en zo.
Ze keken naar links. Ze keken naar rechts. Ze keken omhoog.
Bovenaan de heuvel, naast het paard dat nog altijd echt waar van niks wist, stond een figuur.
Den Ivo.
Ivo riep iets naar beneden.
Ze tuurden omhoog.
“…STAAT HIJ DE WEG TE VRAGEN?” zei Erwin.
“Aan ons?” zei Lief.
“Aan ons,” zei Inge, “Typisch.”
Ze keken omhoog naar Ivo. Ze keken naar elkaar. Ze keken naar de drumfiets. Ze keken naar de verf. Ze keken naar hun knieën, in collectieve verontwaardiging.
“Komaan dan,” zei Stef, en hij gebaarde hen te volgen.
En zo klommen ze de heuvel op — krakend, bespat, te voet en met achterlating van twee trommels (morgen is er nog een dag, waarschijnlijk, hopelijk, op deze leeftijd is dat niet meer zo vanzelfsprekend allemaal) — om Ivo de weg te wijzen naar de tentoonstelling.
Naar hun tentoonstelling, want dankzij den Ivo herinnerden ze zich plots dat dat vandaag was.
Al een chance.

1984, derde jaar Sint Lucas-Paviljoen, Antwerpen, afdeling Grafische Vormgeving & Illustratie